Our global pages
Close- Global home
- About us
- Global services/practices
- Industries/sectors
- Our people
- Events/webinars
- News and articles
- Eversheds Sutherland (International) Press Hub
- Eversheds Sutherland (US) Press Hub
- News and articles: choose a location
- Careers
- Careers with Eversheds Sutherland
- Careers: choose a location

Over de pandemiewet en de (on)bevoegdheid van de federale wetgever voor het uitvaardigen van een dergelijke wet
- United Kingdom
- Other
20-04-2021
Het kan in ons door kleinstaterij getergde landje al wel eens moeilijk zijn om door het bos de bomen nog te zien en te bepalen wie (federale overheid, de gemeenschappen of de gewesten) bevoegd is voor welke materie. Ik ben zo vrij om over het bevoegdheidsverdelend kader één en ander op een rij te zetten met betrekking tot preventieve maatregelen in het belang van de volksgezondheid.
Onze grondwet bepaalt in artikel 128, §1 dat de parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, elk voor zich, bij decreet, de persoonsgebonden aangelegenheden regelen. Persoonsgebonden aangelegenheden zijn dus een gemeenschapsbevoegdheid. Voor het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad zijn dat eveneens de Vlaamse en de Franse gemeenschap die daar hun bevoegdheid uitoefenen middels de daartoe opgerichte Vlaamse en Franse gemeenschapscommissie.
Vervolgens rijst de vraag welke bevoegdheden ressorteren onder die persoonsgebonden aangelegenheden.
Welnu biedt de Bijzondere Wet op de Hervorming der Instellingen (B.W.H.I.) daaromtrent enige duidelijkheid. Artikel 5, §1, I. 8° van die wet bepaalt namelijk dat onder “De persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in artikel 128, §1, van de Grondwet” onder meer verstaan moet worden “de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, evenals de initiatieven inzake de preventieve gezondheidszorg”.
Zo, behoorlijk duidelijk lijkt me. Wanneer men dus de Grondwet en de B.W.H.I. erbij neemt, dan blijkt dus dat het nemen van maatregelen die kaderen binnen preventieve gezondheidszorg de bevoegdheid van de gemeenschappen uitmaakt.
Met andere woorden, de bevoegde wetgever zou dus niet federale wetgever zijn, maar wel de decreetgever, met name de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. Op basis van een coronadecreet en voor Brussel-Hoofdstad een coronaordonnantie, kunnen dan de bevoegde Vlaamse, Waalse en Brusselse ministers een ministerieel besluit uitvaardigen met geconcretiseerde preventieve coronamaatregelen.
Hieruit volgt dan ook dat een federaal minister niet bevoegd kan zijn voor het nemen van preventieve maatregelen inzake volksgezondheid, ook niet indien er een wettelijke grondslag voorhanden zou zijn. Indien er een federale wet aan een federale minister een dergelijke bevoegdheid zou toekennen, dan zou zo’n wet in die mate dat zij die bevoegdheid toekent aan een federaal minister strijdig zijn met de bevoegdheidsverdelende regels, en een ministerieel besluit uitgevaardigd op grond van een ongrondwettige wet is zelf ook ongrondwettig. Onze grondwet bepaalt namelijk in artikel 33 dat de machten moeten worden uitgeoefend “op de wijze bij de Grondwet bepaald”.
Evenwel oordeelde de Raad van State in zijn arrest van 28 oktober 2020 geveld door de verenigde kamers daar anders over. De bevoegdheid van de federale minister tot uitvaardiging van preventieve coronamaatregelen zou zijn rechtsgrond kunnen vinden in onder meer de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid.
Een dergelijk arrest lijkt toch, gelet op bovenstaande analyse, enigszins op gespannen voet te staan met de bevoegdheidsverdelende regels. Immers is artikel 5, §1, I. 8° dat de bevoegdheid voor “preventieve gezondheidszorg” toekent aan de gemeenschappen een lex specialis op de meer algemene wet op de civiele bescherming/veiligheid, en geniet een lex specialis voorrang op een algemenere wet, de normenhiërarchie nog buiten beschouwing gelaten.
Dat brengt ons dan bij het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 31 maart jongstleden, waarin geoordeeld werd dat de federale wetgever nu maar snel werk moet maken van een pandemiewet die dan als wettelijke basis kan dienen voor de bevoegde federale minister om concrete coronamaatregelen uit te vaardigen. Ook dit vonnis lijkt dus niet conform het grondwettelijk kader te zijn, maar de bevoegdheid van de federale wetgever en de federale uitvoerende macht was reeds bevestigd door het opmerkelijke arrest van de Raad van State.
Nu moet de lezer vooral niet denken dat de Raad van State door het bos de bevoegdheidsverdelende bomen niet meer zou zien. De staatsraden en auditeurs werkzaam bij de Raad van State zijn uitmuntende juristen. Persoonlijk denk ik dan ook dat het kwestieuze arrest tot stand gekomen is met het oog op het niet in het gedrang brengen van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de Belgische Staat. Immers zou de vaststelling van de onbevoegdheid in deze van de federale wetgever en dus ook van een federaal minister door een rechtsprekend orgaan, in casu de Raad van State, tot gevolg gehad hebben dat alle tot dan toe uitgevaardigde coronamaatregelen ongrondwettig zouden geweest zijn. Dat zou tot gevolg gehad hebben dat de Belgische Staat aansprakelijk kon gesteld worden door de bedrijven (en ook cafés en restaurants vallen onder de definitie van bedrijf) die omwille van de ongrondwettige coronamaatregelen hun deuren (tijdelijk en gedeeltelijk) hebben moeten sluiten en daardoor verliezen hebben geleden.
Het hoeft geen betoog dat een dergelijke rechterlijke uitspraak ernstige financiële gevolgen zou gesorteerd hebben voor de Belgische Staat.
Wat er ook van zij, de bevoegdheid van de federale wetgever is bevestigd geweest door de Raad van State en de justitiële rechter. We hebben ons daarbij neer te leggen gelet op het gezag van gewijsde waarmee rechterlijke uitspraken bekleed zijn. De federale wetgever is dus nu bevoegd. Zoals Charles Evans Hughes (1862–1948), Supreme Court Justice ooit zei: "We are under a Constitution, but the Constitution is what the judges say it is."
This information is for guidance purposes only and should not be regarded as a substitute for taking legal advice. Please refer to the full terms and conditions on our website.

